Ervaringen met Andreas Schotel

 Ondanks dat ik opgegroeid ben in Hilvarenbeek, herinner ik me Andreas Schotel al van mijn schooljongenstijd. Wonende aan het Groot Loo, moesten we een half uurtje lopen naar school. Tussen de middag bleven we dan ook liever bij mijn tantes en oom die woonden op een boerderij annex café De Zwaan, aan De Vrijthof. En daar zag ik dan als schooljongen Andreas zittend op een krukje, met een plankje waarop wat papier was geklemd streepjes zetten. Het was vanzelfsprekend dat hij dan aan de poort kwam vragen of er nog soep over was. Ik bracht hem dan regelmatig soep met wat brood.

Dat Andreas Schotel regelmatig in het dorp aan het werk was, vonden we allemaal heel gewoon.

Toen Pieta en ik wilden gaan trouwen, kochten we een huisje aan de Groenstraat in Esbeek waar we tot op de dag van vandaag wonen.

Vanaf het moment dat de Stichting Vrienden van Andreas Schotel werd opgericht zijn Pieta en ik lid geworden.

Elk jaar hebben we dankbaar gebruik gemaakt van de uitleen van etsen, zodat er altijd eentje in onze woonkamer hangt.

De jaarlijkse culturele avond vinden we nog steeds heel bijzonder en we zijn dan ook trouwe bezoekers. In de beginjaren kregen we jaarlijks een mini-reproductie van een ets met een klein passend gedichtje. Ik vond dat geweldig en heb ze dan ook allemaal bewaard. Wat mij betreft mogen ze deze traditie weer nieuw leven inblazen.

In 1999 werd ik gevraagd om De Schuttel, die stond te verpauperen in de Oranjebond, mee uiteen te halen en te restaureren. Met de Werkgroep Heemkunde Esbeek zijn we aan de slag gegaan. Het huisje werd uiteen gehaald, waarna we alles overbrachten naar de familie van Dal om het daar te restaureren. Jan keek er eens naar en riep naar mij dat ik beter kon doorrijden tot voorbij de varkensschuur waar de brandstapel was. Gelukkig is het ons gelukt om samen met Jan Smeijers het huisje weer in goede staat te restaureren. Tijdens de heropening van de Schuttel werd ik onverwacht benoemd tot toezichthouder van dit huisje, wat ik een eer vind. Ik zorg dan ook nog steeds voor het onderhoud, geef rondleidingen bij het huisje met tekst en uitleg aangaande het leven van Andreas Schotel hier in Esbeek.

Achteraf mogen we stellen dat de restauratie van dit, inmiddels oudste tuinhuisje van Nederland, een mooie aanwinst is voor Esbeek. De manier waarop Andreas Schotel met zijn gezin de zomermaanden doorbracht in dit huisje komt echt tot leven bij een bezoek aan de Schuttel.  

Toen bekend werd gemaakt dat het hele bezit aan etsen en toebehoren van Andreas Schotel en Leen Rademaker naar Esbeek zou komen was dit een hele organisatie. In korte tijd werd al het werk uit Rhoon naar Brabant gehaald. Het was een periode van hard werken, maar ook van veel gezelligheid. Terugdenkend aan deze periode herinner ik me altijd weer de broodjes en lekkere soep van Kootje, de buurvrouw van Leen Rademaker in Rhoon. In eerste instantie gingen Peter de Laat, Ad van Rijswijk en ik aan de slag in het streekarchief Oisterwijk waar we zelf een inrichting maakten voor de opslag van de werken. Later is het werk naar Esbeek gekomen, waar tot op de dag van vandaag vrijwilligers bezig zijn met het ordenen en digitaliseren van zijn vele werk.

Inmiddels bezit Esbeek een mooi museum en een actieve groep vrijwilligers waar ook ik mijn kleine bijdrage aan mag verlenen.

Groeten Cees Ketelaars 

Bekijk afbeeldingen

View the embedded image gallery online at:
http://andreasschotel.nl/nieuws?limit=3&start=30#sigProId7d0b685cd4

Andreas Schotel en de bijenteelt in Esbeek

In augustus 2016 heeft het Andreas Schotel Museum een tekening ten geschenke gekregen, die fantastisch in de museumcollectie past. Blijkens het opschrift op de tekening is die door Andreas Schotel te Esbeek in 1925 vervaardigd van “boer de Laat”. Afgebeeld is boer Frans de Laat, die op zijn knieën een gevlochten bijenkorf aan het leeghalen is. Op basis van deze tekening heeft Schotel ook een ets gemaakt. De zinken plaat voor deze ets is in de collectie Esbeek aanwezig, maar een afdruk is (nog) niet in de museumverzameling opgenomen, maar wel uit particulier bezit bekend. Landbouwer Franciscus de Laat (1854-1939) is uit Diessen geboortig en trouwt op 19 oktober 1896 te Hilvarenbeek met de Esbeekse Lucia Petronella Souwen (1864-1943). In het gezin worden vijf kinderen geboren.

Het is niet de enige tekening die Schotel van bijenhouders heeft vervaardigd. Zo heeft hij al eerder in 1920 van een bijenkorfvlechter een krijttekening gemaakt. Op zijn knieën zittend legt die de in elkaar gedraaide strengen van roggestro op elkaar, maakt ze aan elkaar vast tot een conische bijenkorf ontstaat. Uit overlevering is bekend dat hier Willem Rosch afgebeeld zou zijn. In maart 1915 komen Wilhelmus Rosch (1862-1941) en zijn vrouw Maria Hermina Kniest (1863-1925) met hun nog niet getrouwde kinderen uit Zeddam bij ’s-Heerenberg naar Esbeek, waar ze een boerenbedrijf bestieren. Een jaar tevoren in mei heeft uit dezelfde omgeving, namelijk uit Gendringen, de familie Bernardus Hendrixen (1884-1972) en Henrica Keuken (1883-1960) zich als landbouwers aan het Spaanderseind gevestigd. Het lijkt erop dat niet vader Willem Rosch is afgebeeld, maar gelet op het jeugdig voorkomen kan het ook zijn zoon Wilhelmus Johannes Jacobus Rosch (1897-1974) zijn. Na de dood van zijn vrouw woont vader Rosch vanaf oktober 1925 in Tilburg en zijn zoon die dan textielarbeider is, trouwt op 5 mei 1927 te Eersel met Anna (Johanna Maria Cornelia) Hakkens (1900-1994) uit Duizel.

Verder is op een bekende ets van Schotel (in de uitleencollectie van de Vrienden) dorpsimker Kees Fabrie afgebeeld, zoals het onderschrift meedeelt. Hij loopt met twee, door een riem aan elkaar bevestigde bijenkorven over de schouder. Landbouwer Kees (Jan Cornelis) Fabrie (1862-1940) is in Hoge en Lage Mierde geboren als zoon van Jacobus Fabrie (1824-1890) en Petronella van Poppel (1832-1899). Als ongehuwde broer woont hij bij zijn jongere zuster Clasina Wilborts-Fabrie (1873-1944) op het Hoogeind en vervolgens bij haar dochter Petronella Maria Wilborts (1901-1954), die in 1930 trouwt met Petrus Lambregts (1905-1961).

Die aandacht voor de bijenteelt kan teruggevoerd worden op de contacten die Andreas Schotel met dorpsonderwijzer Jan Lauwers (1881-1965) heeft. De kunstenaar levert voor diens boekje Langs de Hilverboorden illustratiemateriaal en maakt ook diploma’s voor land- en tuinbouwcursussen van Noordbrabantsche Christelijke Boerenbond (N.C.B.), zoals op een vorige expositie is getoond. In december 1921 wordt de Bijenhoudersbond opgericht en één jaar later start het tijdschrift St. Ambrosius. Maandblad voor bijenteelt van de bijenhoudersbonden van de Noordbrabantse Christelijke Boerenbond etc. Vanaf de start in december 1922 schrijft meester Lauwers hierin en hij is zelfs jarenlang hoofdredacteur van het blad. Lauwers is ook een van de grondleggers van de Ambrosiushoeve, het proefstation voor de bijenteelt. Hij zal Schotels aandacht op de bijenteelt gevestigd hebben, wellicht omdat hij illustraties voor het blad goed kan gebruiken.

Maar daar komt ook bij dat vele boeren vroeger als bijverdienste een stal met enkele bijenkorven bij hun boerderij hebben, die er eenvoudig uitgezien moet hebben zoals bijgaande tekening laat zien. Van takken en pannen heeft men een primitief afdak voor de bijenkorven gebouwd ter bescherming tegen wisselende weersomstandigheden. Ongetwijfeld praktisch, maar geen hoogstandje van technisch kunnen. Later komen er ‘echte’ zogeheten bijenstallen of bijenhallen tot stand soms met twee etages, waarin nu bijenkasten worden geplaatst. Het onderwerp past geheel in de visie van de schilders van het boerenleven. Het belang van de bijenteelt blijkt nog uit de statistieken van het provincieblad eind 19de eeuw, want naast schapen, geiten en bokken, varkens en pluimvee wordt de bijenteelt als een aparte categorie vermeld met het gemiddeld gewicht aan honing en was per korf en de prijzen per kilo.

Omdat het houden van bijen in tegenstelling tot vroeger niet langer een beroep is waarvan je kunt bestaan maar veeleer een liefhebberij, is het vanuit cultuurhistorisch oogpunt een goede gedachte om de ooit aanwezige bijenschans bij het Broekelingven te restaureren. Binnenkort is die klaar en kunt u er een kijkje gaan nemen en er zich een voorstelling van maken.

Peter Thoben, conservator

Bekijk afbeeldingen

View the embedded image gallery online at:
http://andreasschotel.nl/nieuws?limit=3&start=30#sigProId9f8e76c24e

View the embedded image gallery online at:
http://andreasschotel.nl/nieuws?limit=3&start=30#sigProId82cdc79f9d

Nieuwe tentoonstelling met ingang van 15 oktober 2016

De reputatie van de graficus Dirk Baksteen (1886-1971) is 45 jaar na zijn dood nog altijd niet verstomd en heeft een goede klank. Zijn etsen staan immers voor grafisch-technische kwaliteit. Dirk Baksteen is, evenals Andreas Schotel, een Rotterdammer van geboorte en heeft eveneens langdurig in de Kempen gewerkt, weliswaar aan de andere kant van de landsgrens in Mol en Antwerpen.

Voldoende reden voor het Andreas Schotel Museum te Esbeek om van 15 oktober 2016 t/m 15 januari 2017 een tentoonstelling te wijden aan het grafisch werk van Dirk Baksteen, dat uit de collectie van (het gesloten) Museum Kempenland Eindhoven en uit particulier bezit in bruikleen is verkregen.

Dirk Baksteen is in 1886 in Rotterdam geboren als zoon van een bontwerker. Naast zijn werk als huis- en decoratieschilder studeert hij – aanvankelijk aan de avondopleiding – aan de Rotterdamse academie bij Alexander van Maasdijk en Ferdinand Oldewelt. Wanneer zijn broer Gerard Baksteen (1887-1976) in 1911 met een beurs aan de Antwerpse academie gaat studeren, vatten ze samen in 1912 het plan op naar Zuid-Frankrijk te gaan, Vincent van Gogh achterna. Echter zo ver komt het niet. Gestimuleerd door verhalen gaan ze naar Mol en komen met kunstschilder Jakob Smits (1855-1928) – ook uit Rotterdam geboortig – in contact. Dirk wordt bij hem hulpje en leerling. Door Smits – die zelf ook etst – leert Dirk Baksteen de Amerikaan William A. Sherwood (1875-1951) kennen, die hem vooral technische adviezen geeft en van wie hij zijn eerste tweedehandse etspers koopt. In tegenstelling tot Smits drukt Baksteen voortaan zijn etsen zelf af. In 1917 trouwt hij Hilda Van den Panhuizen, met wie hij op de Mariahoeve zeven kinderen krijgt. Overigens na haar dood in 1958 hertrouwt hij in 1962 met Ida Mostmans. Tot 1920 blijft hij bij Smits om dan zelfstandig verder te werken. In de tweede wereldoorlog onderhoudt hij contacten met Duitse kunstenaars, hetgeen hem na de oorlog in moeilijkheden brengt, zodat hij 5 jaar geïnterneerd wordt. Hij verlaat Mol en trekt naar Antwerpen. In zijn leven laat hij een viertal etsmappen verschijnen: De Heilige Kempen (1922), 1886-1936 (1936), De Oude Kempen (1951) en Het Kempisch Landschap (1956). Zijn ambachtelijk-technisch zeer bekwame, verfijnde etsen roepen een verstild en esthetisch-romantisch beeld van de landelijke, armoedige Kempen van eertijds op. Boerenhoeven, hutten, Vlaamse schuren – de oudste ervan als veteraan aangeduid –, een enkele molen of boom in een uitgestrekte verlatenheid figureren als nagenoeg enige onderwerpen in zijn etsen en bepalen het poëtisch, lyrisch karakter van zijn grafiek. Daarnaast schildert en aquarelleert hij gelijksoortige onderwerpen. Over waardering tijdens zijn leven heeft hij niet te klagen gehad.

Op zondag 16 oktober a.s. om 14.00 uur wordt de expositie officieel geopend. Als conservator van het museum zal kunst- en cultuurhistoricus Peter Thoben graficus Dirk Baksteen introduceren. Na ook beeldend kunstenaar Jan Vosters uit Reusel voorgesteld te hebben zal hij met hem in een tweegesprek van gedachten wisselen over de kunst van toen en nu, alsook over de Kempen als inspiratiebron voor kunstenaars.