loader image
  1. Nieuws
  2. Andreas Schotel aan het woord

Andreas Schotel aan het woord

Andreas Schotel aan het woord

Ter inleiding

Hoe Schotel zelf over zijn kunstenaarschap en zijn werk dacht, hebben we maar weinig aanknopingspunten. Er zijn slechts enkele teksten en brieven van zijn hand, waaruit een en ander te destilleren valt. Daarbij denk ik aan de Schotels bijdragen in het Mededelingenblad van de Nederlandse Kring van Grafici en Tekenaars van maart en juni 1950 en zijn uitleg van de schoongedrukte ets in het Programmaboekje van de Groot-Kempische Cultuurdagen te Hilvarenbeek uit 1967. In een stapeltje ongeordende schrijfsels en brieven over Schotels periode als journalist voor de krant De Waarheidbegin jaren 1950 zitten vijf met potlood volgeschreven bladen. De tekst is direct opgeschreven met vele doorhalingen en verbeteringen en weer latere correcties. Het is puzzelen om er enigszins een leesbare en begrijpelijke tekst van te maken. Toch is de exercitie de moeite waard, want het blijkt de opzet voor een voordracht te zijn binnen de Vereniging Vrienden van de Prentkunst ‘Willem Buytenwech’. Deze vereniging, genoemd naar de jong overleden Rotterdamse tekenaar en etser Willem Pieterszoon Buytenwech (1591/2-1624), is in november 1948 opgericht bij gelegenheid van de opening van de tentoonstelling van werken van Rotterdamse grafici en tekenaars in Museum Boijmans. Het doel is om de belangstelling voor de grafische kunst te vergroten. Museumdirecteur Coert Ebbinge Wubbe is voorzitter, verzamelaar Go Dersjant secretaris en W. Bijl, penningmeester. De kunstenaars Pieter den Besten, Andreas Schotel, Ap Sok, Warf Warffemius en Kees Timmer zitten in het bestuur en kunstenaar-grafici zoals Antoon Derkzen van Angeren, Wally Elenbaas, Wout van Heusden, Louis van Roode en Wim Zwiers zijn lid. 

Een samenvatting van de tekst

Schotel vindt dat hij als bestuurslid niet kan weigeren om iets over zijn ‘streven en werken’  te vertellen, ‘hoewel ik van meening blijf dat ik voor deze taak niet kan en ook nooit zal deugen’. Hij stelt dat hetgeen hij buiten zijn werk als graficus heeft moeten doen maar ‘half of zeer gebrekkig tot stand is kunnen komen’ wegens afwezigheid van talenten. Als sergeant in militaire dienst is hij nooit een goed soldaat geworden, maar daardoor is hij wel losgekomen van het tapijttekenen voor de firma Stevens en ‘geen haar van mijn hoofd dacht eraan om daar ooit weer terug te keren’. Hij merkt op dat zijn vader de naam had de beste lakker van Rotterdam te zijn, die van ’s morgens 8 tot ’s nachts 12 werkte en geregeld ‘van overspanning in ’t ziekenhuis terechtkwam’. En hij ‘schilderde kindertjes, engeltjes met vleugels bij ons thuis op het plafond’. Schotel somt op wat hij vanwege de ‘gronische geldnood’ allemaal half heeft moeten doen: een atelier bouwen dat ‘altijd lekt en waar ik altijd de grootste angst uitsta als het stormt dat het om zal vallen’, mijn eigen verfstoffen fabriceren omdat de koopverf niet deugt, een werktuig – dus de Mari – moeten maken ‘waaraan ik zeker 10 jaar heb besteed en nog staat het er maar half klaar’. Naast allerlei opdrachten voor ‘diploma’s, enkele portretten, een paar kalenders en enige exlibri’ heeft hij een ‘hengst’ moeten tekenen voor een veefokker die nadat die klaar was, ‘de hele zaak, stallen, vee plus mooie tekening’ in de brand laat steken en hij concludeert: ‘Een rauw middel zeker om uit bepaalde moeilijkheden te komen’. Verder heeft hij ‘een nieuw soort wissellijst’ gemaakt en moet hij ook nog lijstenmaker en kartonbewerker zijn, veelal met hulp van anderen. Hij heeft een gevecht moeten leveren ‘waar elke artiest in onze maatschappij mee te kampen’ heeft en dat zie je in het werk terug. Maar ‘ik moet zeggen dat mijn werk en mijn idealisme mij staande heeft gehouden’. Van de verkoop van werk is nooit iets terechtgekomen. ‘Materieel dus volkomen mislukt maar daartegenover een vasthoudendheid ten aanzien van hetgeen ik zelf als goed en edel heb leren waarderen in de kunstmaatschappij.’ Op de avondcursus aan de academie heeft hij naast zijn werk wel leren tekenen, maar op de etscursus van Antoon Derkzen van Angeren voelt hij zich aanmerkelijk beter thuis omdat hij ontdekt ‘geen doezelaar, maar wel een tekenaar’ te zijn ‘wat ik zelf toen niet wist’. Op die weg gaat hij door en in samenwerking met vriend Jo Proost komt er de mogelijkheid ‘om te gaan experimenteren en de in mij sluimerende krachten tot ontwikkeling te brengen’. Beide hebben bewondering voor Japanse prenten en Hercules Segers, ‘eigenlijk de enige zuivere wroeter naar hetgeen de ets als mogelijkheid te bieden had’. Verder hebben ze waardering voor de schilderijen van Constantin Meunier, de litho’s van Honoré Daumier en het etswerk van Käthe Kollwitz. Beide kunstenaars ‘verwerkten die invloeden ieder op eigen wijze en naar eigen kracht’. Lang is Schotel op zoek geweest naar de zwarte verfstof om etsen te drukken, want de moderne industriële inkt is tot een ‘onmogelijk product’ verworden, ‘dat er voor ons niet mee te werken was’. Een dilettant – ‘iemand die ook wel eens achter de ezel wil zitten voor tijdverdrijf’ – heeft ooit opgemerkt dat Schotel ‘wel ’n goed vakman zou mogen heten maar daarom nog geen artist behoefde te zijn’. Hij stelt dan ook vast ‘dat deze erkenning voor mij al ’n heel plezierig winstpunt betekende, iets waarmee ik blij kon zijn’. En elke keer bij het afdrukken ervaart hij het plezier ‘een afdoende methode gevonden te hebben om tot een bijna volmaakte vorm van afdruk te zijn gekomen’. Bij het maken van een afdruk is er geen sprake van kunst ‘maar alleen van goed vakmanschap’. Toen ik een werktuig ben gaan maken ‘wat het schoonmaken van de plaat met de hand noodzakelijkerwijs is gaan vervangen’, is het nooit een vooropgezet plan geweest om ‘het zoo edele handwerk’ van het afdrukken te mechaniseren. Echter het leidt wel tot exemplaren van dezelfde kwaliteit. Het is een logisch gevolg van de vakbeoefening om ‘met succes de dik gewreven verfstof uit de lijn schoon op het papier te krijgen’. De mechanische bewerking van de afdruk is een vervolmaking van de handdrukmethode en beïnvloedt het kunstwerk zelf niet.

Ongebruikt?

Het is zeer wel mogelijk dat het alleen bij deze onuitgewerkte tekst is gebleven, die nooit door Schotel is uitgesproken. Zijn zwager Kees Punt, omdat hij als leraar meer geschikt is, houdt overigens voor de leden van ‘Willem Buytenwech’ een causerie over Schotels grafiek op 17 maart 1950, waarvoor Schotel een speciale uitnodiging ontwerpt.

Peter Thoben, conservator

Concept, ontwerp & realisatie website: Pulles Media Design