Het Rijksprentenkabinet te Amsterdam is de omvangrijkste nationale collectie op het gebied van prenten en tekeningen – en sinds 1994 ook foto’s – vanaf de late middeleeuwen tot de huidige tijd met circa 750.000 werken. Begin negentiende eeuw is de beginnende prentenverzameling kort onderdeel van de Koninklijke Bibliotheek, maar wordt in 1816 onderdeel van het Rijksmuseum in het Trippenhuis te Amsterdam. Na splitsing van de collectie in 1876 in het Rijksmuseum van Schilderijen en het Rijksprentenkabinet worden de zelfstandige collecties met eigen directeuren in 1885 in het nieuwgebouwde Rijksmuseumgebouw van Pierre Cuypers ondergebracht tezamen met het Nederlandsch Museum voor Geschiedenis en Kunst.
Vanaf 1903 is jonkheer Hendrik Teding van Berkhout (1879-1969) onderdirecteur van het Prentenkabinet en vanaf 1913 volgt hij directeur Ernst Moes op. Bij een bezuinigingsreorganisatie in 1934 vervalt zijn functie en gaat hij met pensioen. De verantwoordelijkheid voor het Prentenkabinet ligt dan bij de directeur van het Rijksmuseum. In die periode is jonkheer Charles Hubert de Stuers (1894-1981) conservator van het Rijksprentenkabinet. Na de Tweede Wereldoorlog in 1948 krijgt de instelling weer een eigen directeur in de persoon van Iohan van Regteren Altena (1899-1980), zijn opvolger Karel Boon (1909-1996) e.a.
In oktober 1926 stuurt Jo Proost een brief aan Hendrik Teding van Berkhout. Als afzender geeft hij het adres op van het atelier van de kunstschilder en leraar aan de Rotterdamse academie Herman Mees (1880-1964) aan de Westzeedijk 237 in Rotterdam, gelegen bij het pand van Montefiore, een vereniging ter ondersteuning van behoeftige passanten, waar vooral Oost-Europese Joodse emigranten naar de Verenigde Staten worden opgevangen. De tekst luidt: Heden(woensdag)morgen zond ik U ’n serie etsen, wel wat later dan eigenlijk onze afspraak was, maar ik had ietwat meer moeite om de benoodigde nieuwe afdrukken bijeen te krijgen als ik gedacht heb het geval zou zijn. Mocht er nu, wanneer U ze retourneert, bij degenen die U retourneert een enkele bij zijn waarvoor U zich voor de druk op zichzelf interesseert, zet daar dan als u wilt Uw naam op, dan houd ik die in een eigen collectie die ik toch altijd bij de hand hebben moet en reserveer die voor ’t prentenkabinet, waar ik natuurlijk op den duur gaarne een exemplaar van m’n verschillende etsen zou willen aanwezig weten – afgescheiden van het feit of dat nu een kwestie van verkoopen of schenken zou worden.
Er gebeurt blijkbaar niets want Proost schrijft: In antwoord van een door mij van u ontvangen circulaire, gedateerd 21 Dec. 1931, ben ik zoo vrij U te herinneren, dat ik U ettelijke jaren geleden (in 1924/’25 of ’26) een rol etsen heb toegestuurd op een vriendelijk aanbod van U om die etsen aan enkele menschen te laten zien die er dan misschien iets van zouden willen koopen. Slechts na aandringen mijnerzijds heb ik over de toezending bericht van goede ontvangst gekregen …. Proost ontvangt een reactie en schrijft terug: Het doet mij genoegen dat u thans blijkens Uw schrijven dº poststempel 21 febr. ’32 tot het maken van een keus uit mijn rol etsen die onder Uwe berusting is, gekomen bent. Indien U dus nu ook nog ertoe wilt overgaan mij te schrijven welk bod U op de bedoelde 12 etsen wilt doen dan kunt per omgaande mijn antwoord daarop verwachten. … Het moet stil gebleven zijn, want de eerste twee van de twaalf aanwezige etsen van Jo Proost in het Rijksprentenkabinet komen in 1938 binnen: Hooischelf via het legaat van François Gérard Waller (1869-1934), Schutsluis aan de IJssel als schenking van het Departement van Onderwijs, Kunsten & Wetenschappen. De ets Gezicht op Rhenen wordt in 1941 geschonken. Het atelier van Proost aan de Boompjes gaat aan het begin van de Tweede Wereldoorlog bij het bombardement op 14 mei verloren met nagenoeg al zijn bezittingen, werken en etsplaten. Zelf laat Proost het leven op 26 maart 1942 in concentratiekamp Sachsenhausen te Oranienburg. Andreas Schotel zet zich in voor de nalatenschap van Proost. Hij organiseert in de zomer van 1947 een herdenkingstentoonstelling met publicatie in Museum Boymans en schenkt het ‘volledig’ etswerk van Proost aan dit museum. Van de niet-verloren gegane etsplaten maakt hij afdrukken en verkoopt er hiervan zes aan het Rijksprentenkabinet in 1947. In 1948 worden er nog de etsen Winterlandschap met boerderijen (Nederwetten) en Verdorde Zonnebloem door aankoop verworven en als laatste in 1952 de ets Dijk bij Culemborg met financiële steun uit het F.G. Waller-Fonds. Het F.G. Waller-Fonds is door museumman en verzamelaar François Gérard Waller (1867-1934) bij leven in onderhandeling met het rijk gesticht, waarbij uit de rente op het kapitaal jaarlijks aankopen voor het Rijksprentenkabinet kunnen worden gedaan.
Vroeger dan het werk van Jo Proost is er al grafiek van Andreas Schotel in de collectie van het Rijksprentenkabinet opgenomen, namelijk door aankoop in 1922 van de etsen Portret Anna Maria Angenita Gips (de vrouw van Andreas Schotel), Baby aan borst, Zogende vrouw in tuin en een met zwart krijt nagewerkte houtsnede Hoofd van een jongen. Naar aanleiding van de gelijkluidende circulaire van 21 december 1931 ontstaat er ook een correspondentie tussen Andreas Schotel en Hendrik Teding van Berkhout, maar die is digitaal nog niet te raadplegen op de website van het Rijksmuseum. Het is overigens in de tijd dat beide kunstenaars op de Kersttentoonstelling in Museum Boymans Rotterdam van 23 december 1931 tot 18 januari 1932 hun nieuwe afdrukprocedé, de schone druktechniek, bekend maken.
In 1936 schenkt bankier Herman Karel Westendorp (1868-1941) te Amsterdam de ets Boerderij met rieten dak uit 1919. Als schenking van F.G. Waller komt het etsje met toon Moedertje of Oude aardappelschilende vrouw in de verzameling en in hetzelfde jaar wordt met steun uit het naar hem genoemde F.G. Waller-Fonds de ets Maaimachine in veldaangekocht.
In antwoord op een schrijven van Schotel antwoordt conservator van het Rijksprentenkabinet jonkheer Charles Hubert de Stuers (1894-1981) hem op 23 november 1939: Zeer Geachte Heer, In antwoord op Uw Geacht Schrijven d.d. 19 Nov. jl, deel ik U hierbij mede dat inderdaad alle door U ingezonden etsen, op de tentoonstelling “Onze Kunst van Heden” in het Rijksmuseum in lijst opgehangen en behoorlijk tentoongesteld zijn. We hebben uw werk nauwkeurig bestudeerd en twee etsen ervan zijn voor de Verzamelingen van ’s Rijksprentenkabinet aangekocht nl de bladen Cat.no 3145 “Arbeiders” en Cat.no 3146 “Maaimachine”. Misschien zou U ons eens het genoeg[en] kunnen doen enkele bijzonderheden mede te deelen betreffende Uwe techniek van etsen en het door U toegepaste drukprocédé. Uw werk trof ons door een groote mate van oorspronkelijkheid in de visie en opvatting en vinden wij het bijzonder interessant van U eenige bijzonderheden betreffende Uwe werkwijze te vernemen. U bij voorbaat dankend. Het blad Arbeiders is overigens niet in de inventaris vermeld.
Conservator Charles de Stuers schrijft op 13 februari 1942 aan Andreas Schotel: In antwoord op Uw geacht schryven, deel ik U hierby mede, dat ik gaarne wat van Uw werk zou willen aankoopen en zou ik wel een en ander van Uw werk willen zien. Daar ik het op het oogenblik zeer druk heb, zou ik U willen verzoeken, of het mogelyk zou zyn, indien U zich hier in het begin van Maart a.s. zoudt willen vervoegen met een keuze uit Uwe prenten. Schotel zal de uitnodiging om naar Amsterdam te komen aanvaard hebben, want met financiële steun uit het F.G. Waller-Fonds worden in 1942 vijf etsen aangekocht. Een jaar later schrijft Charles de Stuers op 7 december 1943 een briefkaart met de tekst: Naar aanleiding van Uw laatste bezoek aan het Prentenkabinet en onze besprekingen naar aanleiding van het Oud-Holl papier, verzoek ik U hierbij vriendelijk mij zoo spoedig mogelijk te willen melden, of er reeds nieuwe afdrukken van Uwe etsen voor ons disponibel zijn, daar wij zéér gaarne en liefst zóó spoedig mogelijk er groot aantal nieuwe exemplaren van Uw werk voor onze Verzamelingen zouden willen aankoopen!! Het zou ons daarom zéér aangenaam zijn, indien U ons zóó spoedig mogelijk hierover zoudt willen berichten, daar wij noodzakelijk dit nog deze maand zouden willen regelen. Spoedig eenig bericht of Uwe komst tegemoet ziend. Het geld uit het F.G. Waller-Fonds moet blijkbaar voor het eind van het jaar besteed worden; er worden in 1943 vier etsen aangekocht.
Ook in de jaren daarna in 1944, 1946, 1949, 1951, 1952 en 1956 worden werken van Andreas Schotel al dan niet met steun van het F.G. Waller-Fonds aangekocht. Bij brief van 24 juni 1949 moet conservator Karel Boon Schotel herinneren dat hij nog een nieuwe afdruk moet bezorgen: Het is U misschien door het hoofd gegaan, dat U het Prentenkabinet nog steeds een nieuwe afdruk moet van de maaimachine (zelfbinder) schuldig zijt. Zoals U zich zult herinneren kochten wij de prent op de Amsterdamse tentoonstelling van de Grafische. Ik hoop dat U de beloofde afdruk spoedig zult zenden of afleveren. Op de achterzijde kriebelt Schotel zijn (onleesbare) antwoord. De laatste groep van elf etsen neemt het Rijksprentenkabinet van het Instituut Collectie Nederland in 2010 over, wanneer dit instituut opgaat in de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed. Volgens de collectiewebsite van het Rijksmuseum is Andreas Schotel naast zijn portret door Albert Neuhuijs uit 1917 met 42 bladen grafiek vertegenwoordigd in de verzameling van het Rijksprentenkabinet. Het biedt een mooie afspiegeling van zijn werk. Op enkele werken na zijn er ook afdrukken van deze prenten aanwezig in de collectie Esbeek.
Peter Thoben, conservator










