Soms kom je iets nieuws op het spoor. In de biografie van museumdirecteur Dirk Hannema door Wessel Krul uit 2018 wordt vermeld, dat er een kunsthandel Annie Everts op de Schiedamschesingel 35 te Rotterdam gevestigd is. Aangezien ik dit adres ken als kunsthandel Huize Van Hasselt waar Jo Proost in november 1926 zijn grafiek exposeert, ben ik nieuwsgierig hoe dit precies zit, en ga nader onderzoek doen.

Annie Everts met de namen Adriana Maria is op 11 december 1869 te Rotterdam geboren als oudste kind van wijnhandelaar Johannes Everts (Zaltbommel 1845-1909 Rotterdam) en zijn vrouw Johanna Henrietta Everts (Arnhem 1843-1921 Rotterdam). De ouders zijn op 2 juli 1868 te Zaltbommel in het huwelijk getreden. Op 10 juli 1934 zal Annie ongehuwd op 64-jarige leeftijd in Hillegersberg overlijden.

Ze heeft in haar geboortestad de Academie van Beeldende Kunsten en Technische Wetenschappen gevolgd en later nog aan de Academie voor Beeldende Kunsten in Den Haag gestudeerd. Af en toe doet ze aan groepstentoonstellingen mee, zoals aan een expositie van kinderportretten in de Rotterdamsche Kunstkring van 26 januari tot 23 februari 1913.

De Nieuwe Rotterdamsche Courant van 11 november 1921 bericht: “Mej. A. Everts, die als bestuurster van De Protector haar stadgenooten de laatste jaren vele bewijzen heeft kunnen geven van kunstinzicht en smaak, opent nu in den Huize Van Hasselt een kunsthandel, welke harer naam draagt.” Op 19 november 1921 meldt het Algemeen Handelsblad: “De Protector heeft opgehouden te bestaan, en mej. Everts, die jarenlang op zakenkundige en artistieke wijze het bedrijf leidde en menigen jongen kunstenaar aan zich verplichtte, heeft nu onder haar eigen naam een nieuwen kunsthandel geopend aan den Schiedamschen Singel.

Haar kunsthandel is gehuisvest op de benedenverdieping van Huize Van Hasselt: “Drie zaaltjes, van welke de laatste met een goed bovenlicht, bieden een geschikte gelegenheid tot expositie.” Zij opent met een expositie van het nagelaten werk van August W. van Voorden in combinatie met naaldwerk. Er volgen nog tentoonstellingen met werk van Jo Koster, Eugène Lücker, Willem Johannes Schütz, David Bautz, Cris Agterberg, Peter van den Braken, Jan Harm Weijns, Louis Hartz, Gerrit David Labots, Jos Croin enz. Het sier- en gebruiksaardewerk van het echtpaar Paulus Hobbel en Maria Hobbel-van Harten exposeert ze. Maar ze biedt ook ruimte aan een tentoonstelling van door kinderen zelfgemaakt speelgoed, die georganiseerd is door de Vereeniging van Staatsburgeressen Rotterdam-Schiedam. In haar kunsthandel geeft ze het Rotterdamse antiquariaat H. Berkelouw de gelegenheid om een tentoonstelling te houden van oude boeken, incunabelen en enkele manuscripten. Al voor zijn huwelijk in 1896 met de Amsterdamse Henriette Engelsman (1876-1942) is Hartog Carel Berkelouw (1872-1942) een boekhandel en antiquariaat begonnen. Na stages in het buitenland komt zijn zoon Carel Berkelouw (1903-1942) in de zaak en organiseert ‘De Tentoonstellinghe van Oude Boecken ende Printen’ in kunsthandel Annie Everts van 18 oktober t/m 7 november 1924, die landelijk in de pers veel aandacht krijgt. De firma krijgt nadien als boekenveiling ook naam.

Zoals aangegeven, is Annie Everts voordien betrokken bij N.V. Kunsthandel De Protector aan de Zuidblaak 70a. Deze kunsthandel is in februari 1912 opgericht door haar zwager, graanhandelaar Jan Hendrik van Rede (1864-1942), die in 1892 met haar zus Helena Geertruida Everts (1870-1935) is getrouwd. Op de eerste expositie toont Anton Dirckx er zijn werk. Annie Everts blijkt een belangrijke rol te spelen, maar blijkens advertenties in de kranten is de directie aanvankelijk in handen van een gewezen medewerker van kunsthandel P.J. Zürcher in villa Erica te Scheveningen, J.D. Brinkmann – waarschijnlijk Johan Diederich Brinkman (1881-1942) –, vanaf februari 1913 van Bernard Canter (1871-1956), vanaf juli 1913 van Gerrit Hilhorst Azn (1862-1936) en vanaf december 1915 van Charles John Robbert Bignell (1890-1957). In november 1911 is diens vader John Charles Bignell (1861-1921) voor zijn zoon de kunsthandel NV Esher Surrey gestart, aanvankelijk gevestigd in zijn villa aan de Helmstraat te Scheveningen, maar die verhuist spoedig naar de Lange Voorhout. Op 12 april 1916 houdt kunsthandel De Protector onder directie van Bignell in de Rotterdamsche Kunstkring een “belangrijke kunstveiling” van “Moderne Schilderijen, Aquarellen en Teekeningen” met medewerking van de firma Van Marle & De Sille. Het moet de opmaat voor een samenwerking zijn, die in 1918 uitmondt in het veilingbedrijf Van Marle & Bignell. Vanaf 1919 is die op hetzelfde adres op Lange Voorhout in Den Haag gevestigd. In de Tweede Wereldoorlog zal Van Marle & Bignell een dubieuze rol spelen bij de veiling van door de bezetter verbeurd verklaard joods bezit. Bignell moet een gewiekste zakenman zijn geweest. Tussen Esher Surrey en De Protector ontstaat dus ‘vanzelfsprekend’ een nauwe samenwerking. In december 1923 exposeert Andreas Schotel samen met Albert Neuhuijs bij kunstzaal Esher Surrey.

In Huize Van Hasselt hebben in 1917 en 1918 enkele exposities plaatsgevonden o.a. van kunstenaarsgroep De Branding. Eigenaar c.q. organisator is kleermaker/koopman Kees (Cornelis Wilhelmus) van Hasselt (1872-1951). Hij heeft zijn populariteit vooral te danken als sportman en sportorganisator o.a. als eerste bondscoach van het Nederlandse voetbalelftal. Ook kan een rol gespeeld hebben, dat zijn jongere broer Willem (Wilhelmus Josephus) van Hasselt (1882-1963) kunstschilder is. Zijn oudste zoon Jan (Johannes Hendrikus) van Hasselt (1901-1965) moet de smaak te pakken hebben gekregen en maakt omstreeks 1925 van de kunsthandel zijn broodwinning. Dit is vermoedelijk de reden, dat Annie Everts met haar kunsthandel uit Huize Van Hasselt moet wijken. Sinds die tijd zou Van Hasselt de Duitse kunsthandel Alfred Flechtheim uit Düsseldorf in de Maasstad vertegenwoordigen. Alfred Flechtheim (1878-1937) is aanvankelijk compagnon in het graanbedrijf van zijn vader, gaat moderne kunst verzamelen en begint in 1913 een galerij in Düsseldorf. Vanaf 1922 is de kunsthandel in Berlijn gevestigd met filialen in Düsseldorf, Frankfurt en Keulen. Zou Jo Proost hiermee iets van doen hebben gehad, omdat hij vele contacten met joden in Duitsland had en er als één van de eersten exposeert?

Omdat Annie Everts eind 1925 niet meer over een eigen vaste tentoonstellingszaal beschikt, biedt kunstschilderes Lizzy (Elisabeth Johanna) Hoogewerff-Goddard (1881-1947) haar woning aan de Vijverweg in Kralingen aan. Op de eerste expositie in huize Hoogerwerff-Goddard laat ze vooral grafiek zien uit bezit van kunsthandel J.H. de Bois uit Haarlem naast aardewerk van het echtpaar Hobbel en eigen handweefwerk.

In 1926 mag ze – “die voorheen in den kunsthandel Van Hasselt haar koop- en kijk-grage vrienden ontving” – nogmaals van het “kunstzinnig ingerichte” huis van mevrouw Hoogerwerff-Goddard gebruik maken. De journalist van de Nieuwe Rotterdamsche Courant van 24 november 1926 schrijft een enthousiaste bespreking. Ze toont nieuw aardewerk van het echtpaar Hobbel-van Harten en een keur van haar eigen handweefwerk bestaande uit boekenleggers, boekenkaften, speldenkussens en toetsenlopers tot tasjes, kapstokkleden en schoorsteenlappen. 

Naast etsen van Aart Bijl (1885-1962) en een houtsnede van Agnes Canta (1888-1964) is “zoowat het heele grafische werk van Schotel, den leerling van Derksen van Angeren, aanwezig. Schotel doet zich hier vollediger kennen dan nog ooit. Stellig verrassend zijn enkele platen met volkstypen, sterk, op een bepaald moment in het wezen gegrepen en tot een indrukwekkenden kleinen vorm gegroepeerd. Een fijn kunstenaar is hij hierin en men zal goed doen, dit in breeder kring te waardeeren.” De journalist sluit zijn bespreking af met de constatering: “Schotel is ons liever geworden, dichter bij ons komen te staan — ook met zijn stoere boeretypen — dan voorheen met de zoögende of zorgende moeders, waarin hij het ware karakter niet trof. Ook nu zijn er nog enkele van deze teekeningen bij; doch zij doen naar-oppervlakkig aan en leggen het volkomen af bij de latere dingen. Een fijne houtsnee is er nog bij van een meisjesprofiel, maar Schotel is toch vóór alles etser. Het driftig en spontaan opteekenen van wat hem innerlijk beroert in de natuur, of het scherp en fijn doordringen in een bepaald wezen, op een bepaald moment geobserveerd, en dit met een ragfijne, maar pittige lijn op de plaat gebracht; daarin ligt wel Schotels kracht.

Het is misschien geen toeval dat op hetzelfde moment Jo Proost – na een eerdere expositie van de Groep Lumière uit Antwerpen met grafiek van Jan-Frans Cantré, Marcel Gromaire, Jean-Emile Laboureur, Fokko Mees, Joris Minne, Hans Orlowski en Henri van Straten – in kunsthandel Huize Van Hasselt zijn grafiek exposeert. Hij toont veel oud werk, omdat hij nog weinig nieuwe werk na zijn komst naar Rotterdam heeft, hetgeen tot de opmerking leidt: “Een merkwaardige collectie, welke in haar tweezijdigheid den indruk kan wekken, dat de etser het met zichzelf niet eens is over de aard van zijn eigen neigingen, of het juiste inzicht mist ter onderscheiding tusschen wat hij wenscht en wat hij kan.” De kunstrecensent van de Nieuwe Rotterdamsche Courant van 23 november 1926 waardeert het werk (misschien nadat hij met Proost gesproken heeft): “Zoals Proost in zijn etstechniek alles verfoeit wat buiten het eerlijk etsprocedé omgaat, is hij ook door en door oprecht in zijn opvatting; verfoeit ook daar alle effectbejag of wat aan mode of tijd onderhevig kan zijn. Hij teekent, fijn, gevoelig, consciëntieus, de natuur zooals hij haar waarneemt.” In wezen kondigt deze zinsnede de zoektocht van Proost en Schotel aan naar ‘de schoongedrukte ets’, waarmee ze op de ‘Kersttentoonstelling 1931-1932’ in Museum Boijmans voor het eerst naar buiten treden.

Peter Thoben, conservator

Terugblik op het ‘rampjaar’ (annus horribilis) 2020

 

Het nieuwe jaar begon zoals het moet gaan. Na afloop van de tentoonstelling  Aad de Haas (1920-1972). Linosneden met de reeks passieprenten uit de museumcollectie begon op 11 januari de expositie Natuur bij Schotel die tot en met 29 maart zou lopen. Op vrijdag 6 maart 2020 kwamen de Vrienden van Andreas Schotel traditiegetrouw samen voor de culturele Schotelavond om onderling de etsen van Schotel te wisselen. Voor het programma werd deze keer geen beroep gedaan op buitenstaanders, maar werd door de vrienden zelf verzorgd met een retrospectief over veertig jaar. Nadat het afgelopen jaar zowel inhoudelijk als financieel de revue gepasseerd was, werden Piet Verhoeven en Ad van Rijswijk als bestuursleden van het eerste uur door Kees van Kemenade indringend geïnterviewd over de drijfveren voor het ontstaan van de Stichting Vrienden van Andreas Schotel, de opzet van de kunstuitleen van Schoteletsen, de restauratie van de Schuttel, de relatie met Leen Rademaker, de komst van de nalatenschap naar Brabant, de professionele behandeling van de toch ietwat verwaarloosde collectie door De Tiendschuur, de gelukkige omstandigheid van de oprichting van de Coöperatie Esbeek waardoor het museum in een deel van de dorpshuiskamer kon worden ondergebracht. Vanuit de zaal werd op Joke Radermakers-van den Broek een beroep gedaan om de herinneringen soms in het juiste perspectief te plaatsen. Vervolgens kwam de veelheid aan activiteiten van de afgelopen tien jaar, na de opening van het museum op 17 mei 2009, aan bod: de Schotel wandelroute met beelden, de wisseltentoonstellingen, de publicaties, de Park en Schotel-festivals, de beeldentuin en artist in residence, waarbij de conservator enige nuance en kleur mocht aanbrengen. De vertoning van de aflevering van het televisieprogramma Van gewest tot gewest over het Esbeekse initiatief bracht iedereen ruim 30 jaar in de tijd terug. Mooi is te zien dat bij enkele mensen van toen het Schotel-virus nog altijd aanwezig is. Na de pauze trad het Roos-koor op van de gelijknamige Beekse brouwerij met een afwisselend liederenrepertoire in de sfeer van de bekende zeemanskoren.

Nog geen tien dagen later zat de wereld op slot in een ‘intelligente lockdown’ vanwege de uitbraak van de coronapandemie. Met de overheidsrestricties werd alles vertraagd zeker nadat bij de eerste golf de ziekte hard en dodelijk toesloeg. Het virus Covid-19 was een sluipmoordenaar, die niet te veronachtzamen was. Het betekende ongewild een stap op de plaats maken. De afspraken met de exposanten voor de beeldentuin, de plannen voor een nieuwe editie voor Park en Schotel en een nieuwe ‘artist in residence’ na het succesvolle, eerste verblijf van Juliana Rios Martinez uit Bogota in 2019 moesten gecanceld en geparkeerd worden. De grote vraag was voor hoe lang? 

Bijzonder was dat er in april een pakket van de Kunstuitleen uit Rotterdam bezorgd werd met de schenking van één ets van kaartende bootwerkers of havenarbeiders en één krijttekening van boer Van Liere op tractor. In ’t Kleppermenneke hebben wij aan deze schenking aandacht besteed, maar ook over andere onderwerpen zoals Terugblik op 2019, Geanimeerde Schotelavond, Het loopt dit jaar een beetje anders, Portretkoppen van Andreas Schotel, Een onderwerp met traditie: de boerenmaaltijd van Andreas Schotel, Bezoek van Schotelfamilie, Andreas Schotel en Albert Neuhuijs werd geschreven en natuurlijk over de nieuwe exposities. Daarover werd eveneens in De Hilverbode bericht.

Begin juni begon er weer hoop te gloren. Conform het protocol van de Nederlandse Museum Vereniging kon het museum weer open. De nieuwe tentoonstelling Oogst in kleur. Aquarellen en tekeningen van Andreas Schotel werd ingericht. Al langere tijd werd er gewerkt aan een overzichtspublicatie van de aquarellen en tekeningen van Schotel, die wellicht nog voor de afloop van de expositie op 6 september zou kunnen verschijnen. Dat bleek vanwege de omvang en het vele werk niet realistisch, maar in december kon het boek van 372 pagina’s naar de drukker. Vanaf 12 september werd de expositie Een keur aan koppen geëxposeerd. Door een tweede ‘gedeeltelijke lockdown’ met ingang van 14 oktober zal die tot in het nieuwe jaar 2021 de museumwanden sieren. 

De rampspoed was niet totaal, want ondanks de coronaperikelen kwamen er toch vele wandelaars op de dagen met mooi weer naar Esbeek om de wandelroute individueel of met enkele mensen te lopen. Immers de verplichte anderhalve meter afstand kon tijdens het wandelen geen problemen opleveren.

Een aantal vrijwilligers heeft dit jaar niet veel kunnen doen. De jaarlijks terugkerende weekend van NL Doet kon niet doorgaan. Zomermarkten werden niet gehouden, zodat het bemannen van kraampjes niet nodig was. Ook de groepswandelingen met gids en de presentaties in het museum moesten worden geannuleerd. Het jaarlijkse uitstapje of een gezellige samenkomst van alle betrokkenen rondom het Schotelgebeuren zat er niet in. Maar laten we zeggen: wat in het vat zit, verzuurt niet.

Met ingang van 15 december ging het hele land in een ‘totale lockdown’, gevolgd in het nieuwe jaar met het instellen van een avondklok op 23 januari. We zullen zien, hoe de wereld er na deze periode weer uitziet.

Hopelijk kunnen wij na een breed vaccinatieprogramma de coronapandemie langzaamaan achter ons laten en met nieuw elan voortgaan op de eerder ingeslagen weg door het Andreas Schotel Museum en de Schotel wandel- en kunstroute verder te verbeteren en uit te bouwen.

Peter Thoben, conservator

Soms doe je een ontdekking. Met regelmaat doorzoek ik de collectie van het Rijksmuseum Amsterdam, maar deze keer tref ik een portret van Andreas Schotel met baard aan, dat ik nog niet eerder heb gezien. Het portret is door de kunstenaar Albert Neuhuijs (1895-1968) getekend, van wie ik ook een zelfportret aantref. Met Andreas Schotel studeert hij vanaf 1917 aan de Rotterdamse academie bij Antoon Derkzen van Angeren. Op de website van het Rijksmuseum wordt als maker van het portret de Haagse Schoolschilder Albert (Johannes Albertus) Neuhuijs (1844-1914) genoemd, maar dat is onjuist. Omdat beiden Albert Neuhuijs – vaak met y geschreven – heten, ontstaat er nogal eens verwarring. De oudste Albert Neuhuijs is de bekendste, een broer van de grootvader van de jongste, dus een oudoom.

Over Albert Neuhuijs is niet veel bekend. Albertus Joannes Augustus Neuhuijs is op 17 april 1895 te Antwerpen geboren als zoon van fabrikant Augustus Désiré Neuhuijs (1862-1938) en de Zwitserse Maria Anna Bürgi (1872-1942). Een jongere broer is Paul Neuhuys (1897-1984), die als Franstalige dichter en criticus bekend zal worden. Voor de Eerste Wereldoorlog studeert hij aan de Antwerpse Academie voor Schone Kunsten, waar hij vermoedelijk Jo Proost in 1913 als medestudent leert kennen en met wie hij een reis naar Parijs maakt. Bij het uitbreken van de oorlog vlucht de koopmansfamilie Brand van Straaten-Pede naar Zeeland. Wanneer hun dochter Wilhelmina Maria Jacoba Brand van Straaten (1896-1991) zwanger blijkt te zijn trouwt Albert Neuhuijs haar op 7 april 1915 te Vlissingen. Ruim een maand later op 15 mei 1915 wordt zoon Donald Maria Augustus Neuhuijs (1915-2002) in Middelburg geboren. Op internet heb ik van hem een op eerste kerstdag 1915 geschreven briefkaart aangetroffen, waaruit blijkt dat hij op Boulevaard Leopold te Antwerpen verblijft en zijn vrouw op Hoekweg 10 te Rijswijk/Voorburg: “Mijn lief vrouwtje. Ik moet wel aannemen dat jou kaarten aan mij niet terecht komen. want van anderen ontvang ik toch zoo nu en dan eens iets. al is het ook niet dikwijls maar van jou heb ik nu in 2 maanden niets meer gehoord. Hoe komt dat toch? Ik ben altijd aan het denken daarover en kan het mij maar niet begrijpen. Nu hoop ik toch binnenkort vast op iets nieuws van je. Hoe maakt je het? Ik hoop nog altijd goed. Met mij gaat het naar omstandigheden. er is zeer weinig te verdienen. juist voor in het leven te blijven … Ik ben verleden week nog in de Kempen geweest en heb daar nog een klein zaakje in eikels gedaan. … Wat heb ik een spijt nieuwjaar niet bij jou te kunnen doorbrengen. Maar laat ons hopen dat het zoolang niet meer zal duren. Ik wensch je van harte alles goeds toe met het nieuwe jaar en hoop dat wij spoedig weer bijeen zijn. Nu mijn harte vrouwtje meest hartelijk omhelzend voor je liefh. ventje”

In Voorburg – vermoedelijk op bedoeld adres – wordt op 20 augustus 1916 hun tweede zoon David Johannes Arnoldus Neuhuijs (1916-2007) geboren. Het ligt niet ver van kasteel De Binckhorst, waar in die tijd een groep kunstenaars verblijft. Immers daar tekent Neuhuijs in 1916 twee portretten van Jo Proost. In 1917 vestigt het gezin zich in Rotterdam, waar Albert Neuhuijs samen met Andreas Schotel, Henriette Reuchlin-Lucardie en Henk Chabot de studie in de grafiekklas bij Antoon Derkzen van Angeren begint. Een derde zoontje Paul Neuhuijs ziet er op 30 mei 1918 het levenslicht, maar dat dooft al na twee maanden op 8 augustus. Het huwelijk houdt geen stand en de scheiding wordt op 11 april 1921 door de Rotterdamse rechtbank uitgesproken. Wilhelmina Brand van Straaten hertrouwt op 29 maart 1928 te Amsterdam met de jurist Herman Kornelis de Raaf (1898-1972), die uit een onderwijzersfamilie stamt. De twee zonen komen in Californië terecht, waar ze na 2000 overlijden. 

Bij de Rotterdamse gemeentebibliotheek heeft Albert Neuhuijs de assistente Cornelia Johanna van Wicheren (1894-1973) leren kennen en met haar trouwt hij op 1 maart 1922. Uit het huwelijk wordt een dochter Nadia Ilona Neuhuijs op 3 augustus 1929 geboren. Ook dit huwelijk eindigt in 1934 met een scheiding. Bij het bombardement van Rotterdam op 14 mei 1940 gaat zijn atelier in vlammen op en het aanwezige werk geheel verloren. In 1952 reist hij naar Spanje. Naar aanleiding van zijn 65ste verjaardag krijgt hij in het prentenkabinet van Museum Boymans van Beuningen van 11 december 1960 tot 22 januari 1961 een overzichtstentoonstelling met catalogus: de belangrijkste in zijn leven. In 1961 verhuist hij naar Sassenheim, waar hij op 20 februari 1968 overlijdt. Zijn overlijdensadvertentie in Het Parool en De Telegraaf wordt ondertekend door Jeannette Marie Auguste Koetschheim (1903-1986), die van 1927 tot 1944 met Carolus Leopoldus Maria Janssens getrouwd was.

Albert Neuhuijs heeft met Andreas Schotel nauwe contacten onderhouden, als medestudent aan de academie, maar ook in de jaren daarna. Op de kersttentoonstelling in de academie eind december 1921 is hun beider werk te zien naast dat van Henk Chabot en Henriette Reuchlin-Lucardie. In december 1923-januari 1924 exposeren ze samen bij Kunstzaal Esher Surrey, in november-december 1924 bij de Koninklijke Kunstzaal Kleykamp in Den Haag en in april 1925 samen in De Lakenhal te Leiden. Voorts wordt werk van hen op dezelfde groepstentoonstellingen gepresenteerd.

Albert Neuhuijs moet ook met Schotel mee naar Noord-Brabant gereisd zijn. Er is een ets van een boereninterieur bekend, die door meester Jan Lauwers is ingezonden naar de expositie Hilvarenbeek Oud en Nieuw in het Parochiehuis te Hilvarenbeek in augustus 1946. Een afdruk van deze ets is in de collectie van het Jakob Smitsmuseum te Mol aanwezig.

De portrettekening van Neuhuijs moet uit de periode zijn, dat Schotel zijn zelfportret in 1922 etst, omdat hij zichzelf daarop met baard afbeeldt. Uit 1926 dateert de ets van Schotel, waarop Neuhuijs staand is afgebeeld. Van Albert Neuhuijs bevinden zich in de collectie Esbeek nog vijf etsen en één linosnede. 

Het oeuvre van Albert Neuhuijs en de precieze relatie met zowel Jo Proost als Andreas Schotel zouden – voor zover nog te achterhalen – nader onderzocht moeten worden. 

Peter Thoben, conservator

Bekijk afbeeldingen

Stichting Vrienden van Andreas Schotel

Dorpsstraat 2, 5085 EG, Esbeek | 06 23 154 233 | info@andreasschotel.nl

De Vrienden van Andreas Schotel wordt gesteund door:

Concept, ontwerp & realisatie website: Pulles Media Design