Andreas Schotel en de bijenteelt in Esbeek

In augustus 2016 heeft het Andreas Schotel Museum een tekening ten geschenke gekregen, die fantastisch in de museumcollectie past. Blijkens het opschrift op de tekening is die door Andreas Schotel te Esbeek in 1925 vervaardigd van “boer de Laat”. Afgebeeld is boer Frans de Laat, die op zijn knieën een gevlochten bijenkorf aan het leeghalen is. Op basis van deze tekening heeft Schotel ook een ets gemaakt. De zinken plaat voor deze ets is in de collectie Esbeek aanwezig, maar een afdruk is (nog) niet in de museumverzameling opgenomen, maar wel uit particulier bezit bekend. Landbouwer Franciscus de Laat (1854-1939) is uit Diessen geboortig en trouwt op 19 oktober 1896 te Hilvarenbeek met de Esbeekse Lucia Petronella Souwen (1864-1943). In het gezin worden vijf kinderen geboren.

Het is niet de enige tekening die Schotel van bijenhouders heeft vervaardigd. Zo heeft hij al eerder in 1920 van een bijenkorfvlechter een krijttekening gemaakt. Op zijn knieën zittend legt die de in elkaar gedraaide strengen van roggestro op elkaar, maakt ze aan elkaar vast tot een conische bijenkorf ontstaat. Uit overlevering is bekend dat hier Willem Rosch afgebeeld zou zijn. In maart 1915 komen Wilhelmus Rosch (1862-1941) en zijn vrouw Maria Hermina Kniest (1863-1925) met hun nog niet getrouwde kinderen uit Zeddam bij ’s-Heerenberg naar Esbeek, waar ze een boerenbedrijf bestieren. Een jaar tevoren in mei heeft uit dezelfde omgeving, namelijk uit Gendringen, de familie Bernardus Hendrixen (1884-1972) en Henrica Keuken (1883-1960) zich als landbouwers aan het Spaanderseind gevestigd. Het lijkt erop dat niet vader Willem Rosch is afgebeeld, maar gelet op het jeugdig voorkomen kan het ook zijn zoon Wilhelmus Johannes Jacobus Rosch (1897-1974) zijn. Na de dood van zijn vrouw woont vader Rosch vanaf oktober 1925 in Tilburg en zijn zoon die dan textielarbeider is, trouwt op 5 mei 1927 te Eersel met Anna (Johanna Maria Cornelia) Hakkens (1900-1994) uit Duizel.

Verder is op een bekende ets van Schotel (in de uitleencollectie van de Vrienden) dorpsimker Kees Fabrie afgebeeld, zoals het onderschrift meedeelt. Hij loopt met twee, door een riem aan elkaar bevestigde bijenkorven over de schouder. Landbouwer Kees (Jan Cornelis) Fabrie (1862-1940) is in Hoge en Lage Mierde geboren als zoon van Jacobus Fabrie (1824-1890) en Petronella van Poppel (1832-1899). Als ongehuwde broer woont hij bij zijn jongere zuster Clasina Wilborts-Fabrie (1873-1944) op het Hoogeind en vervolgens bij haar dochter Petronella Maria Wilborts (1901-1954), die in 1930 trouwt met Petrus Lambregts (1905-1961).

Die aandacht voor de bijenteelt kan teruggevoerd worden op de contacten die Andreas Schotel met dorpsonderwijzer Jan Lauwers (1881-1965) heeft. De kunstenaar levert voor diens boekje Langs de Hilverboorden illustratiemateriaal en maakt ook diploma’s voor land- en tuinbouwcursussen van Noordbrabantsche Christelijke Boerenbond (N.C.B.), zoals op een vorige expositie is getoond. In december 1921 wordt de Bijenhoudersbond opgericht en één jaar later start het tijdschrift St. Ambrosius. Maandblad voor bijenteelt van de bijenhoudersbonden van de Noordbrabantse Christelijke Boerenbond etc. Vanaf de start in december 1922 schrijft meester Lauwers hierin en hij is zelfs jarenlang hoofdredacteur van het blad. Lauwers is ook een van de grondleggers van de Ambrosiushoeve, het proefstation voor de bijenteelt. Hij zal Schotels aandacht op de bijenteelt gevestigd hebben, wellicht omdat hij illustraties voor het blad goed kan gebruiken.

Maar daar komt ook bij dat vele boeren vroeger als bijverdienste een stal met enkele bijenkorven bij hun boerderij hebben, die er eenvoudig uitgezien moet hebben zoals bijgaande tekening laat zien. Van takken en pannen heeft men een primitief afdak voor de bijenkorven gebouwd ter bescherming tegen wisselende weersomstandigheden. Ongetwijfeld praktisch, maar geen hoogstandje van technisch kunnen. Later komen er ‘echte’ zogeheten bijenstallen of bijenhallen tot stand soms met twee etages, waarin nu bijenkasten worden geplaatst. Het onderwerp past geheel in de visie van de schilders van het boerenleven. Het belang van de bijenteelt blijkt nog uit de statistieken van het provincieblad eind 19de eeuw, want naast schapen, geiten en bokken, varkens en pluimvee wordt de bijenteelt als een aparte categorie vermeld met het gemiddeld gewicht aan honing en was per korf en de prijzen per kilo.

Omdat het houden van bijen in tegenstelling tot vroeger niet langer een beroep is waarvan je kunt bestaan maar veeleer een liefhebberij, is het vanuit cultuurhistorisch oogpunt een goede gedachte om de ooit aanwezige bijenschans bij het Broekelingven te restaureren. Binnenkort is die klaar en kunt u er een kijkje gaan nemen en er zich een voorstelling van maken.

Peter Thoben, conservator

Bekijk afbeeldingen