Voor de nieuwe tentoonstelling ‘Een keur aan koppen’ hebben wij de collectie doorgelopen op zoek naar ‘portretten’ of te wel ‘koppen’. Andreas Schotel heeft veel mensen geportretteerd, maar dat is zelden op bestelling gebeurt. Meestal heeft hij iemand op eigen initiatief geportretteerd om zijn vaardigheid te behouden, want er zijn talloze rake portretten in de museumcollectie aanwezig.

In deze bijdrage wil ik graag de aandacht vestigen op twee vroege portretten in de museumcollectie, die mogelijk wel in de opdrachtsfeer zijn ontstaan. Zo heeft Schotel een lithografisch portret van Willem Pieter Ingenegeren (1853-1930), gedateerd 21 september 1919, vervaardigd en in 1924 – wellicht als voorstudie – een portrettekening van componist Henri Zagwijn (1878-1954). Het zijn twee portretten, waarin de karaktertrekken van beide individuen sterk naar voren komen, zodat het krachtige, sprekende koppen zijn. Maar wie zijn beide geportretteerden?

Willem Pieter van Ingenegeren is in Utrecht geboren. Na zijn opleiding aan de handelsschool te Antwerpen is hij vanaf 1871, als opvolger van zijn vader Anthonie, directeur van het Utrechtse Begrafenisfonds ‘Let op Uw Einde’, dat door zijn grootvader Willem Pieter is gesticht. In 1883 is hij een van de stichters van de NV Levensverzekeringsmaatschappij 'Utrecht', waarvan hij tot 1920 directeur blijft. In dat jaar wordt de Algemeene Maatschappij tot Exploitatie van Verzekeringsmaatschappijen opgericht (A.M.E.V.) om de familiebelangen veilig te stellen en overnames te vergemakkelijken. De aandelen zullen tot in de jaren 1960 in familiebezit blijven. Als geldbelegging koopt Ingenegeren vele hectaren woeste gronden ten zuiden van Hilvarenbeek. In 1899 wordt met de ontginning ervan door de Nederlandsche Heidemaatschappij begonnen, wat zal uitgroeien tot landgoed De Utrecht, zoals wij dat nu kennen. In 1919 verblijft Andreas Schotel lange tijd op De Utrecht bij houtvester Kees Sissingh, bij wie hij door diens oudere broer Melchior Sissingh uit Rotterdam – directeur van de gasfabriek – is geïntroduceerd.

Mogelijk heeft Schotel het portret gemaakt als dank-je-wel voor zijn verblijf op De Utrecht, want ook van Kees Sissingh vervaardigt hij een getekend portret in oktober 1919, dat slechts uit een beschadigde foto bekend is.

Een andere optie zou zijn, dat hij de portretopdracht heeft gekregen met het oog op het terugtreden van Ingenegeren als directeur van de levensverzekeringsmaatschappij, omdat het een litho betreft waarvan meer afdrukken gemaakt kunnen worden. De contacten met Ingenegeren blijven, want in de collectie Esbeek is een exemplaar van de grootformaat map ‘Etsen door Andreas Schotel’ met 28 etsen op 24 bladen aanwezig: nummer 4 door boekbinder Frans van Harskamp (1876-1942) in december 1928 gebonden met het exlibris van W.P. Ingenegeren. Mogelijk heeft Ingenegeren een exemplaar gekocht of gekregen en er een exlibris ingeplakt. Overigens zouden deze exlibrissen voor diens zoon, eveneeens W.P. Ingenegeren (1879-1941) geheten, vervaardigd zijn.

Ook kan het wensdenken van Schotel geweest zijn, dat Ingenegeren wel een exemplaar zou aanschaffen of diens genummerde map is later weer bij de Schotel-nalatenschap gekomen en via Leen Rademaker in Esbeek. Verder is in de museumcollectie nog een ets aanwezig van de zittende Ingenegeren en profiel. Nadat (een deel van) zijn collectie bij Frederik Muller & Co te Amsterdam in april en mei 1920 is geveild, verblijft de gepassioneerde boekenverzamelaar en natuurliefhebber veelal op huize Rustoord te Esbeek, waar hij op 25 april 1930 overlijdt. Per trein wordt het stoffelijk overschot naar Driehuis gebracht om op Westerveld gecremeerd te worden.

Het portret van componist Henri Zagwijn laat een sterke persoonlijkheid met een opvallende en karakteristieke fysiognomie zien. Als zoon van een toneelspeler wordt Henri geboren in Nieuwer-Amstel, maar groeit in het Rotterdam van zijn ouders op.

Opgeleid is hij tot onderwijzer, maar ontwikkelt zich onder invloed van zijn oudere broer violist Jules Zagwijn als autodidact tot musicus. Om zijn composities uit te geven richt hij een eigen muziekuitgeverij als coöperatieve vereniging op: ‘De nieuwe muziekhandel’. Vanaf 1915 raakt hij geïnteresseerd in de antroposofie van Rudolf Steiner. Vanaf 1916 tot 1931 is hij hoofdleraar aan de Muziekschool der Maatschappij tot Bevordering van Toonkunst te Rotterdam en van 1924 tot 1941 is leraar aan de antroposofische Vrije School in Den Haag. Hij staat met gelijkgestemde componisten zoals Sem Dresden, Willem Pijper, Daniël Ruyneman en Alexander Voormolen in 1918 aan de basis van de Vereniging voor Moderne Muziek.

Grote bekendheid verwerft hij in de jaren 1920 met zijn talloze lezingen voor antroposofische verenigingen in den lande over hedendaagse stromingen in de moderne muziek, hetgeen tot het boek Muziek in het licht der antroposofie (1925) leidt. Daarnaast worden zijn composities – sterk beïnvloed door het Franse impressionisme van Claude Debussy – veelvuldig uitgevoerd, vooral zijn liederen op teksten van Boutens, De Clercq, Gezelle, Goethe, Leopold, Perk e.a. en zijn kamermuziek.

In 1927 trouwt de toondichter in Den Haag met de veel jongere rijkstelefoniste Auguste Nelia Kämper (1902-1983). Na de Tweede Wereldoorlog is hij voorzitter van het Genootschap van Nederlandse Componisten en bestuurslid van de Stichting Donemus. Hij overlijdt op 23 oktober 1954 te ’s-Gravenhage als gerespecteerd musicus, maar is nu vrijwel vergeten. In oktober 1924 is de ‘reactionnairen’ componist gehuldigd door de Rotterdamsche Kunstkring tijdens een Zagwijn-avond met zijn composities. Misschien heeft Schotel in dit kader zijn tekening, al dan niet in opdracht, vervaardigd.

Peter Thoben, conservator