Het coronavirus houdt de wereld in zijn greep en legt het openbare leven door thuisquarantaine vrijwel plat. Culturele instellingen zoals musea en bibliotheken zijn verplicht voor het publiek dicht en wachten op het aanbreken van betere tijden. Dat wil nog niet zeggen, dat er helemaal niets gebeurd. Zo heeft het Andreas Schotel op 18 april jl. een pakket van de directeur Ellis van den Berg van de Kunstuitleen uit Rotterdam ontvangen met de schenking van één ets en één krijttekening. Graag wil ik die bij de lezer onder de aandacht brengen.

De geschonken ets van de kaartende bootwerkers of havenarbeiders (afb. 1) behoort tot de vroege en meest bekende etsen van Andreas Schotel. Wanneer hij uit de mobilisatie in Noord-Brabant komt en naar de Rotterdamse academie gaat, waar hij met enkele medeleerlingen de grafiekklas van Antoon Derkzen van Angeren volgt, tekent hij werkvolk uit de haven en bij de gasfabriek. De karakteristieke koppen van deze oudere arbeiders met door hard labeur getekende tronies met snor onder een pet moeten hem artistiek uitgedaagd hebben. Zo zijn er in de museumcollectie twee kleine, vlotte schetsbladen bewaard met groepen werkers, die bijna karikaturaal aandoen (afb. 2 en 3). Ze zullen de basis gevormd hebben voor tekeningen, waarin hij de koppen op een precieze manier gedetailleerd uitwerkt met oog voor compositie, lichtval en sfeer. Deze tekeningen maken indruk, doordat ze ietwat dramatisch zijn aangezet. Tekeningen, waar je visueel niet omheen kunt, waar je ingetrokken of ingezogen wordt (afb. 4 en 5). Schotel moet meerdere tekeningen in de jaren 1917 tot 1919 van hetzelfde thema gemaakt hebben, die later op tentoonstellingen verschillende keren zijn geëxposeerd in 1931-32, 1942, 1956-57 en 1962. Ze hebben ook gediend als uitgangspunt voor de etsen ‘bootwerkers’ en ‘kaartende bootwerkers’, ook wel ‘havenarbeiders’ genoemd. De geschonken ets heeft Schotel in 1957 voor de Rotterdamse Kunststichting als schone ets afgedrukt, waar de annotatie RKS ’57 op duidt. Eerder hebben wij andere etsen met hetzelfde opschrift kunnen verwerven. In het jaar 1957 moet de Rotterdamse Kunststichting flink wat werk van Schotel aangekocht hebben. Van deze ets hebben wij in de museumcollectie nog een exemplaar met de annotatie ‘1ste staat’ (inv.nr 7/24).

De geschonken tekening in kleurkrijt laat een boer op tractor zien, die aan het ploegen is (afb. 6). De tekening moet rond 1960 ontstaan zijn. Met dezelfde tekening maar dan eenvoudiger en in spiegelbeeld die nog in de museumcollectie aanwezig is (afb. 7), voert hij dit onderwerp als ets in vernis mou uit (afb. 8). Door de vernis mou-techniek, waarbij getekend wordt op papier dat op de zachte vernis van een verwarmde plaat is gelegd, ontstaat een beeld met een eigen textuur in verschillende grijstinten en structuren. Schotel heeft de tekening geabstraheerd en vereenvoudigd min of meer in vlakken, waardoor een sterk beeld met zeggingskracht ontstaat. Om de ruimte in de rechterbovenhoek te vullen plaatst hij een vogel, die op beide tekeningen ontbreekt. Dit grafiekblad exposeert hij in 1962 voor de eerste keer, in 1976 en 1980 onder de titel ‘Boer van Lier op tractor’. Bedoeld is natuurlijk Bram van Liere.

Met deze twee aanwinsten is het Andreas Schotel bijzonder ingenomen, want ze betekenen mede door de vrij goede conditie waarin ze verkeren, een prachtige aanvulling van het museumbezit. Het werkt stimulerend dat de collectie periodiek met bekend of onbekend werk van Andreas Schotel uitgebreid kan worden. Als het museum na de coronacrisis weer open kan, laten wij de originelen graag zien.

Peter Thoben, conservator