De museumcollectie groeit: een bijzondere schenking

Het Andreas Schotel Museum in Esbeek heeft van mevrouw Lucie J.M.G. Lauwers-de Laat een bijzondere schenking gekregen. Een schenking die bestaat uit een roodkrijttekening van Jakob Smits (1855-1928), uit etsen van Henri Quitellier (1884-1980) en Eugeen Yoors (1879-1975), alsmede uit een serie van 15 kleurenfoto’s van Andreas Schotel in zijn Rotterdamse atelier aan de Brielselaan. Bij de voorbereiding van de tentoonstelling van Dirk Baksteen in het najaar van 2016 zijn de contacten met Lucie Lauwers-de Laat goed tot stand gekomen. Van haar mochten wij een reeks zwart-witfoto’s van Dirk Baksteen lenen, die zij in augustus 1963 in diens atelier heeft gemaakt. Overigens op de tekening van Jakob Smits met twee koeien in een stal is op het passe-partout geschreven: ‘Koestal’, schets van Jakob Smits door Dirk Baksteen geschonken aan Lucie de Laat 1953.

Lucia Johanna Maria Gerarda de Laat is op 30 oktober 1927 in Tilburg geboren, maar haar ouders Jan (Maria Laurentius Marinus Johannes) de Laat (1897-1961) en Elisabeth Smolders (1893-1981) zijn uit Esbeek afkomstig. Bij de familie in Esbeek is zij veel gekomen en zij herinnert zich nog veel van vroeger.

De opleiding ziekenverpleging en maatschappelijk werk krijgt ze bij psychiatrische inrichting Coudewater te Rosmalen en daarna de opleiding kraamzorg in het ziekenhuis van Bergen op Zoom. Zij gaat als verpleegkundige aanvankelijk in Brussel en na een jaar in Antwerpen werken. Daar leert zij Jan (Johannes Franciscus) Lauwers (1926-2011) – een Belg – als patiënt kennen, met wie zij in 1955 trouwt. Het huwelijk zal kinderloos blijven. Na haar huwelijk gaan ze in Deurne bij Antwerpen wonen en zij werkt tot 1983 in het Stuivenbergziekenhuis. Haar man is hevig in kunst geïnteresseerd en ze raken met Dirk Baksteen, Flor Van Reeth en Eugeen Yoors bevriend en vervolgens met nog talloze kunstenaars zoals Broeder Max, Staf De Bruyne, Jaak Goris, Frans Van Immerseel, Frans Mertens, Fernand Naeyaert, Albert Poels, Henri Quitellier, Jan Wouters of priester-schrijver Armand Boni en componist Renaat Veremans.

Omstreeks 1960 beginnen Jan en Lucie exposities van bij hen bekende kunstenaars te organiseren om die financieel te helpen. Ze bekostigen zelf de tentoonstellingen. Jan snijdt de passe-partouts en lijst het werk in. Lucie maakt foto’s voor uitnodigingen en folders en krijgt zo de smaak van het fotograferen te pakken. De reden, waarom zij van vele kunstenaars interessante atelier- en portretopnamen heeft gemaakt. Pater Jozef Nuyens opent veelal de tentoonstellingen. Zo organiseren ze in november 1980 een tentoonstelling met etsen van  Andreas Schotel en Magdaleen Rademaker in het Cultureel Centrum Kasteel van Schoten. In de aanloop naar deze expositie heeft zij in 1979 een reeks foto’s van Andreas Schotel in zijn atelier met een Asahi Pentax geschoten. Omdat zij goed kan ‘kijken’, zijn die van grote documentaire waarde. Wij beelden naast de tekening van Jakob Smits enkele foto’s van Schotel af. 

Het is een genoegen met Lucie Lauwers-de Laat herinneringen op te halen, want ondanks haar bijna 90 jaren heeft zij een goed geheugen. Haarfijn kan ze over de kunstenaars en schrijvers uit hun vroegere vriendenkring verhalen. Ze weet veel over de onderlinge verhoudingen en over hun werk te vertellen.

Peter Thoben, conservator 

Bekijk afbeeldingen

De broers Sissingh en Andreas Schotel

Het kan wel toeval genoemd worden, waarom Andreas Schotel in Esbeek terecht is gekomen en er zijn hele leven graag jaarlijks is teruggekeerd. Hoewel er geen schriftelijke bronnen overgeleverd zijn en de mondelinge overlevering misschien ook niet voor honderd procent zal kloppen, is het verhaal toch wel enigszins te reconstrueren.

Een essentiële rol in de komst naar Esbeek hebben sowieso de beide broers Sissingh gespeeld: de oudste Melchior Corstius Sissingh (1866-1952) en zijn jongere broer Kees (Cornelis Jacobus Gerhardus) Sissingh (1876-1932). Ze stammen uit een Friese domineesfamilie. Vader Geert Bussingh Sissingh (1833-1893) is predikant, evenals zijn vader Aaldrik Ebbens Sissingh, en trouwt in 1863 met domineesdochter Dieuwertje Frederika Corstius (1839-1926).

Melchior wordt op 17 maart 1866 in het dorp Hiaure in de gemeente Westdongeradeel geboren. Na de HBS in Groningen studeert hij voor ingenieur aan de Polytechnische School, de latere Technische Hogeschool, te Delft. Hij werkt bij Rijkswaterstaat en trekt twee jaar naar Zuid-Afrika om er een spoorweg aan te leggen. Terug in Nederland werkt hij bij de Amsterdamsche Duinwater Maatschappij om op 1 december 1894 in dienst van de gemeente Rotterdam te treden als onderdirecteur bij de gemeentelijke bedrijven van gas en elektriciteit. Hij trouwt op 23 april 1903 te Arnhem met Anna Havelaar (1877-1918) en er worden vier dochters geboren, die nog jong zijn als hun moeder overlijdt. In februari 1907 wordt hij directeur van het gasbedrijf tot zijn pensioen op 1 april 1931. Hij gaat met twee dochters in Den Haag wonen, waar hij op 5 april 1952 overlijdt. Volgens de kranten is hij een man van statuur, die op deskundige wijze het productieapparaat heeft opgevoerd en de bedrijfsvoering heeft verbeterd in overeenstemming met de eisen van de tijd, zodat hij tot in het buitenland de aandacht trok en als adviseur veelvuldig werd geconsulteerd.

Zijn tien jaar jongere broer Kees wordt in Bedum/Noordwolde geboren en bezoekt ook de HBS in Groningen. Hij doet in september 1896 toelatingsexamen voor de Rijkslandbouwhogeschool in Wageningen en studeert er landbouw- en bosbouwkunde, waarvoor hij in juli 1899 slaagt. Hij treedt in 1901 in dienst van de Nederlandsche Heidemaatschappij en wordt eerst als assistent op het bezit Berkenheuvel van mr. A.C. van Daalen te Diever gestationeerd en het jaar daarop ambtenaar bij de afdeling ‘boschwezen’. In 1902 raakt hij bij de ontginningswerkzaamheden op het landgoed De Utrecht betrokken. Levensverzekeringsmaatschappij ‘Utrecht’ heeft het in 1899 als duurzame belegging aangekocht en de exploitatie in handen van de Heidemaatschappij gelegd. Het zal tenslotte zo’n 2500 hectare omvatten. Met ingang van 1907 wordt hij tot adjunct-houtvester aangesteld en later krijgt hij de algehele leiding. Op 13 juni 1906 is Kees Sissingh te Groningen in het huwelijk getreden met Willemina Alide Bennema (1878-1953), een schoonzus van zijn broer. Na de dood door verdrinking van hun eerste dochtertje Hanna Theresia (1907-1910) verhuizen ze in 1911 naar Utrecht en vervolgens naar Arnhem, waar respectievelijk zoon Gerard (1912-1979) en dochter Roos/Romunda (1914) geboren worden. In die jaren neemt Albert Pieter van den Briel (1881-1971) zijn plaats als houtvester in. Deze is goed bevriend met kunstschilder Piet Mondriaan (1872-1944) die er geregeld op bezoek moet zijn geweest. In 1915 komt het gezin Sissingh weer naar Esbeek. In september 1917 verschijnt in de serie Neerlands Welvaart (Uitgeverij Industria te Amsterdam) een nummer over ontginningen met een door Sissingh geschreven artikel met uitstekende afbeeldingen over de aanpak van landgoed De Utrecht. Bij zijn 25-jarig dienstjubileum in 1926 krijgt hij een album aangeboden met foto’s van alle bewoners en arbeiders. In 1931 wordt hij om gezondheidsredenen op non-actief gesteld. Een half jaar later overlijdt hij op 26 februari 1932 te Esbeek en wordt in Groningen begraven. In een ‘in memoriam’-artikel wordt hij geroemd als ‘een landschap-architect op ontginningsgebied’, want hij heeft met grote vakkennis en liefde voor de natuur het landgoed De Utrecht tot meer dan zo maar een ontginning gemaakt: “Sissingh had oog voor landschapsschoon en daardoor heeft hij een weergaloos mooi geheel weten te scheppen, een ideale combinatie van cultuur en natuur!” Na zijn dood verhuist de familie naar Wageningen, waar zoon Gerard in de voetstappen van zijn vader treedt. Hij wordt een bekend botanicus uit de school van Josias Braun-Blanquet (1884-1980) en Reinhold Tüxen (1899-1980), die op 20 december 1950 bij professor H.J. Venema promoveert op een dissertatie Onkruid-associaties in Nederland. Een sociologisch-systematische beschrijving van de klasse Rudereto-Secalinetea Br.-Bl. (’s-Gravenhage 1950). Hij draagt zijn proefschrift op aan zijn overleden vader. Diens zoon, ook Kees (1947) genoemd naar zijn grootvader, komen wij als secretaris van de Koninklijke Nederlandse Bosbouw Vereniging tegen.

Andreas Schotel heeft in 1918-1919 op de Rotterdamse Gasfabriek vele tekeningen van de werkzaamheden gemaakt, die hij tot etsen uitwerkt. Om er te mogen werken heeft hij natuurlijk van directeur Melchior Sissingh toestemming moeten krijgen. In een gesprek heeft hij ongetwijfeld verteld over zijn mobilisatietijd in Noord-Brabant en dat hij, zoals bij vele kunstenaars in zwang was, graag op het platteland onder de boeren zou willen werken. Daarop heeft Sissingh hem voorgesteld om naar zijn broer Kees op De Utrecht te gaan en heeft daarbij bemiddeld. Zo komt Andreas Schotel eerst alleen naar Esbeek en na zijn huwelijk op 16 april 1920 met Mies Gips verblijven ze er ook een periode. In ieder geval komen ze op 28 juli 1921 uit Hilvarenbeek naar Hillegersberg en op 31 december 1921 vestigen ze zich in Rotterdam. Enkele jaren later weet Schotel een tuinhuisje te bemachtigen en het voor elkaar te krijgen om het in het bos van de Oranjebond van Orde te mogen neerzetten. Het gaat dienst doen als een pied à terre in Esbeek en zal zestig jaar lang als vakantieverblijf ‘De Schuttel’ met de nodige aanpassingen dienstig zijn. Met Kees Sissingh zijn er goede contacten, want in het oeuvre van Schotel komen wij een geëtst portret van hem tegen en een ontwerp en uitgevoerd exlibris op zijn naam. Het portret is (achteraf) door Schotel 1917 gedateerd, maar zal van 1919 of 1920 zijn, doch past goed in de vroege reeks portretten van de graficus. De datering van de exlibris zal eind jaren 1920 liggen. Op een vlotte ontwerpschets in inkt, waarbij de golvende uitsnede opvalt, richt een jager bij bomen zijn geweer op vogels. Het in linosnede uitgevoerde exemplaar laat bomen, vogels, haas, uil en paddenstoel zien met een zon erboven, waarbij de jager achterwege is gebleven.

Vermoedelijk zou Andreas Schotel zonder de broers Sissingh nooit in Esbeek beland zijn en zou er uiteindelijk geen museum tot stand gekomen zijn. Of heeft zo mogelijk een neef van hen, Jakobus Gerardus Sissingh (1868-1957) nog een rol gespeeld. In 1894 begint hij in Charlois (nu Rotterdam-Zuid) een vernisstokerij en verfwarenfabriek aan de Korte Hilleweg, later tot Paul Krugerstraat omgedoopt. Wie weet, waren er connecties met vader Wessel Schotel die kunstlakker van beroep was en die zijn verf en vernis wellicht bij de fabriek van Sissingh betrok. Het is speculatief en niet meer te achterhalen. Zaken lopen zoals ze lopen.

Peter Thoben

Bekijk afbeeldingen

Ervaringen met Andreas Schotel

 Ondanks dat ik opgegroeid ben in Hilvarenbeek, herinner ik me Andreas Schotel al van mijn schooljongenstijd. Wonende aan het Groot Loo, moesten we een half uurtje lopen naar school. Tussen de middag bleven we dan ook liever bij mijn tantes en oom die woonden op een boerderij annex café De Zwaan, aan De Vrijthof. En daar zag ik dan als schooljongen Andreas zittend op een krukje, met een plankje waarop wat papier was geklemd streepjes zetten. Het was vanzelfsprekend dat hij dan aan de poort kwam vragen of er nog soep over was. Ik bracht hem dan regelmatig soep met wat brood.

Dat Andreas Schotel regelmatig in het dorp aan het werk was, vonden we allemaal heel gewoon.

Toen Pieta en ik wilden gaan trouwen, kochten we een huisje aan de Groenstraat in Esbeek waar we tot op de dag van vandaag wonen.

Vanaf het moment dat de Stichting Vrienden van Andreas Schotel werd opgericht zijn Pieta en ik lid geworden.

Elk jaar hebben we dankbaar gebruik gemaakt van de uitleen van etsen, zodat er altijd eentje in onze woonkamer hangt.

De jaarlijkse culturele avond vinden we nog steeds heel bijzonder en we zijn dan ook trouwe bezoekers. In de beginjaren kregen we jaarlijks een mini-reproductie van een ets met een klein passend gedichtje. Ik vond dat geweldig en heb ze dan ook allemaal bewaard. Wat mij betreft mogen ze deze traditie weer nieuw leven inblazen.

In 1999 werd ik gevraagd om De Schuttel, die stond te verpauperen in de Oranjebond, mee uiteen te halen en te restaureren. Met de Werkgroep Heemkunde Esbeek zijn we aan de slag gegaan. Het huisje werd uiteen gehaald, waarna we alles overbrachten naar de familie van Dal om het daar te restaureren. Jan keek er eens naar en riep naar mij dat ik beter kon doorrijden tot voorbij de varkensschuur waar de brandstapel was. Gelukkig is het ons gelukt om samen met Jan Smeijers het huisje weer in goede staat te restaureren. Tijdens de heropening van de Schuttel werd ik onverwacht benoemd tot toezichthouder van dit huisje, wat ik een eer vind. Ik zorg dan ook nog steeds voor het onderhoud, geef rondleidingen bij het huisje met tekst en uitleg aangaande het leven van Andreas Schotel hier in Esbeek.

Achteraf mogen we stellen dat de restauratie van dit, inmiddels oudste tuinhuisje van Nederland, een mooie aanwinst is voor Esbeek. De manier waarop Andreas Schotel met zijn gezin de zomermaanden doorbracht in dit huisje komt echt tot leven bij een bezoek aan de Schuttel.  

Toen bekend werd gemaakt dat het hele bezit aan etsen en toebehoren van Andreas Schotel en Leen Rademaker naar Esbeek zou komen was dit een hele organisatie. In korte tijd werd al het werk uit Rhoon naar Brabant gehaald. Het was een periode van hard werken, maar ook van veel gezelligheid. Terugdenkend aan deze periode herinner ik me altijd weer de broodjes en lekkere soep van Kootje, de buurvrouw van Leen Rademaker in Rhoon. In eerste instantie gingen Peter de Laat, Ad van Rijswijk en ik aan de slag in het streekarchief Oisterwijk waar we zelf een inrichting maakten voor de opslag van de werken. Later is het werk naar Esbeek gekomen, waar tot op de dag van vandaag vrijwilligers bezig zijn met het ordenen en digitaliseren van zijn vele werk.

Inmiddels bezit Esbeek een mooi museum en een actieve groep vrijwilligers waar ook ik mijn kleine bijdrage aan mag verlenen.

Groeten Cees Ketelaars 

Bekijk afbeeldingen