Na mobilisatie in Noord-Brabant tijdens de Eerste Wereldoorlog keert Andreas Schotel naar Rotterdam terug en vervolgt zijn lessen aan de academie, maar nu in de pas gestarte grafiekklas bij Antoon Derkzen van Angeren (1878-1961). Schotel maakt kennis met de verschillende grafische technieken zoals lijnets, aquatint, vernis-mou, lithografie en hout- en linosnede. In een aantal etsen uit de begintijd zijn vader en moeder onderwerp, maar al gauw laat hij zich inspireren door bootwerkers, havenarbeiders en werklui van de gasfabriek. Het zou een studieopdracht kunnen zijn, waarvoor zijn leermeester het contact met de gasfabriek gelegd kan hebben. Hoewel de onderwerpkeuze niet aansluit bij het werk van Derkzen van Angeren zelf, kunnen het socialisme, revoluties en opkomend communisme Schotels aandacht op de werkman hebben gericht. Er zijn niet alleen veel tekeningen, etsen en litho’s van de gasfabriek bewaard, maar ze hebben ook nadrukkelijk het karakter van studies. Het licht-donker speelt een grote rol en derhalve zwart-wit-schakeringen, maar ook vuur en stoom dragen bij aan de sfeer. De etsen zijn door Schotel gedateerd tussen 1917 en 1920. Het kan als zijn eerste grote onderwerp beschouwd worden.

Om in de gasfabriek te mogen tekenen heeft hij ongetwijfeld toestemming moeten vragen aan directeur Melchior C. Sissingh (1866-1952), die in 1894 onderdirecteur en in 1907 directeur van de Rotterdamse Gemeentelijke Gasfabrieken is. Via zijn jongere broer Cornelis J.G. Sissingh (1876-1932), die door de Heidemaatschappij tot houtvester op de ontginningen van landgoed De Utrecht is aangesteld, komt Schotel naar Esbeek. Een gang die hij vanaf dat moment meer dan zestig jaar lang in de zomermaanden zal maken.

Rotterdam heeft meerdere gasfabrieken (Kralingen, Feijenoord en Keilehaven), maar op grond van oude foto’s heeft Schotel zijn observaties vrijwel zeker gedaan in de gebouwen van de Kralingse gasfabriek aan de Oostzeedijk en wel in de gebouwen van de uitbreiding uit 1904-1908. Overigens is deze gasfabriek in november 1926 gesloten.

Op overzichtstentoonstellingen heeft Schotel altijd wel etsen uit deze serie laten zien. Toch is het niet goed mogelijk om de titels aan de nu geëxposeerde etsen te koppelen. De grote ets die een overzicht van het binnenterrein van de gasfabriek toont, doet sterk denken aan de etsen met hoogovens en mijnschachten uit het Roergebied van Johannes Proost. Mogelijk heeft Schotel via zijn medeleerling Albert Neuhuys (1895-1968), die in 1916 portretten van Proost heeft getekend, hem persoonlijk en zijn werk leren kennen.

De expositie Schotel en de Gasfabriek Rotterdam. Werken uit zijn studietijd loopt van 29 april tot en met 16 juli 2017 en is behalve de maandag dagelijks geopend van 11.00 tot 16.00 uur.

Met de tentoonstelling van etsen van Dirk Baksteen zijn wij met het museum een nieuwe weg ingeslagen, maar met de komende expositie keren wij naar naamgever Andreas Schotel terug en hebben een keuze gemaakt uit de vele figuurstudies van vrouwen van zijn hand.

Hoe je het draait of keert, Andreas Schotel heeft altijd veel belangstelling voor vrouwen gehad, wat blijkt uit de bewaarde figuurstudies in aquarel, kleurkrijt en houtskool. Het merendeel van die studies zijn op zijn atelier tot stand gekomen, wat aan de entourage te zien is, maar ongetwijfeld heeft hij ook thuis of elders gewerkt.

In zijn huiselijke situatie heeft hij alleen maar vrouwen om zich heen gehad: zijn echtgenote Mies of Maat Gips en drie dochters Annemarie of Miet, de jong overleden Tjakeline en Johanna of Toop. Voorts heeft hij met meerdere vrouwen een langdurige relatie gehad, die meer inhield dan louter vriendschap.

Leerlinge, vriendin en onderwijzeres Leen Rademaker heeft menigmaal haar leerlingen meegebracht naar Schotels atelier, die deze jonge mensen in een bepaalde houding snel op het papier heeft vastgelegd om zichzelf in figuur en/of portret te oefenen. Hij doet dat meestal op flink formaat, maar heeft deze figuurstudies nauwelijks tot ets uitgewerkt. Zo’n 250 tekeningen in aquarel en krijt zijn bewaard gebleven. Wie afgebeeld wordt, is in vele gevallen onbekend. Slechts sporadisch heeft hij er een voornaam bijgeschreven. Met deze tentoonstelling wordt een vrij onbekend aspect van zijn oeuvre belicht. 

De expositie loopt van 21 januari tot en met 23 april 2017 en is behalve op maandag dagelijks geopend van 11.00 tot 16.00 uur.

Nieuwe tentoonstelling met ingang van 15 oktober 2016

De reputatie van de graficus Dirk Baksteen (1886-1971) is 45 jaar na zijn dood nog altijd niet verstomd en heeft een goede klank. Zijn etsen staan immers voor grafisch-technische kwaliteit. Dirk Baksteen is, evenals Andreas Schotel, een Rotterdammer van geboorte en heeft eveneens langdurig in de Kempen gewerkt, weliswaar aan de andere kant van de landsgrens in Mol en Antwerpen.

Voldoende reden voor het Andreas Schotel Museum te Esbeek om van 15 oktober 2016 t/m 15 januari 2017 een tentoonstelling te wijden aan het grafisch werk van Dirk Baksteen, dat uit de collectie van (het gesloten) Museum Kempenland Eindhoven en uit particulier bezit in bruikleen is verkregen.

Dirk Baksteen is in 1886 in Rotterdam geboren als zoon van een bontwerker. Naast zijn werk als huis- en decoratieschilder studeert hij – aanvankelijk aan de avondopleiding – aan de Rotterdamse academie bij Alexander van Maasdijk en Ferdinand Oldewelt. Wanneer zijn broer Gerard Baksteen (1887-1976) in 1911 met een beurs aan de Antwerpse academie gaat studeren, vatten ze samen in 1912 het plan op naar Zuid-Frankrijk te gaan, Vincent van Gogh achterna. Echter zo ver komt het niet. Gestimuleerd door verhalen gaan ze naar Mol en komen met kunstschilder Jakob Smits (1855-1928) – ook uit Rotterdam geboortig – in contact. Dirk wordt bij hem hulpje en leerling. Door Smits – die zelf ook etst – leert Dirk Baksteen de Amerikaan William A. Sherwood (1875-1951) kennen, die hem vooral technische adviezen geeft en van wie hij zijn eerste tweedehandse etspers koopt. In tegenstelling tot Smits drukt Baksteen voortaan zijn etsen zelf af. In 1917 trouwt hij Hilda Van den Panhuizen, met wie hij op de Mariahoeve zeven kinderen krijgt. Overigens na haar dood in 1958 hertrouwt hij in 1962 met Ida Mostmans. Tot 1920 blijft hij bij Smits om dan zelfstandig verder te werken. In de tweede wereldoorlog onderhoudt hij contacten met Duitse kunstenaars, hetgeen hem na de oorlog in moeilijkheden brengt, zodat hij 5 jaar geïnterneerd wordt. Hij verlaat Mol en trekt naar Antwerpen. In zijn leven laat hij een viertal etsmappen verschijnen: De Heilige Kempen (1922), 1886-1936 (1936), De Oude Kempen (1951) en Het Kempisch Landschap (1956). Zijn ambachtelijk-technisch zeer bekwame, verfijnde etsen roepen een verstild en esthetisch-romantisch beeld van de landelijke, armoedige Kempen van eertijds op. Boerenhoeven, hutten, Vlaamse schuren – de oudste ervan als veteraan aangeduid –, een enkele molen of boom in een uitgestrekte verlatenheid figureren als nagenoeg enige onderwerpen in zijn etsen en bepalen het poëtisch, lyrisch karakter van zijn grafiek. Daarnaast schildert en aquarelleert hij gelijksoortige onderwerpen. Over waardering tijdens zijn leven heeft hij niet te klagen gehad.

Op zondag 16 oktober a.s. om 14.00 uur wordt de expositie officieel geopend. Als conservator van het museum zal kunst- en cultuurhistoricus Peter Thoben graficus Dirk Baksteen introduceren. Na ook beeldend kunstenaar Jan Vosters uit Reusel voorgesteld te hebben zal hij met hem in een tweegesprek van gedachten wisselen over de kunst van toen en nu, alsook over de Kempen als inspiratiebron voor kunstenaars.